Welkom

Als freelance journalist werk ik voor tijdschriften en websites. Ik schrijf over verschillende onderwerpen zoals liefde, vriendschap, carrière en multiculturele thema’s.

Wil je weten wat ik zoal geschreven heb? Scroll dan naar beneden naar mijn columns of kijk bij mijn publicaties en verhalen.

Stella’s loopbaan: bekentenissen van een carrière-welpje, deel IV

Stella_website-150x150[1]

Vorige keer: Samen met vriendin Guusje probeert Stella de herinnering aan haar mislukte sollicitatiegesprek weg te drinken in De Kring. Waar zij tot Stella’s afgrijzen de Hork tegenkomen.

Deze week: De eerste werkdag

De assistent van de Hork brengt me naar mijn bureau. Ik herhaal: míjn bureau. Want ik ben de nieuwste aanwinst van HLP marketing & advies. Geen idee waarom ik ben aangenomen, want zowel tijdens het eerste als tweede sollicitatiegesprek kwam ik volgens mij niet zo goed uit de verf. Maar op de assessment scoorde ik wél goed en misschien gaf dit de doorslag. Hoewel, als ik helemaal eerlijk ben, moet ik bekennen dat  ik de baan waarschijnlijk gekregen heb omdat de Hork via mij wil scoren bij mijn vriendin Guusje. Na onze stapavond in De Kring vroeg de Hork om haar contactgegevens, maar Guusje vertelde dat haar mobiel is afgesloten en dat ze ook geen e-mail heeft omdat ze tegen de verregaande digitalisering van de maatschappij is. Iedere vent had deze niet zo subtiele afwijzing wel begrepen, zo niet de Hork wiens vuur voor de onbereikbare Guusje alleen maar werd aangewakkerd. En nu gebruikt hij mij om berichtjes aan haar door te geven. Dus mede dankzij Guusjes charmes start mijn loopbaan als junior marketing manager en wandel ik nu door de kantoortuin naar mijn bureau. Waarop tot mijn grote vreugde een grote glazen pot staat, gevuld met een veelvoud aan gekleurde lekkernijen. Met mijn naam erop! Ik til de pot op, om het gewicht te schatten. Zo’n drie kilo. Helemaal voor mij alleen. “Ja, die is voor jou. Dat geeft je collega’s een goed excuus om even langs te komen, zo leer je snel mensen kennen,” zegt de assistent. Hm, dus toch niet helemaal voor mij alleen, dat is een tegenvaller. De Hork waggelt voorbij en mompelt “ik ben je schoen”. Vreemd. “Kom, we gaan naar de meetingroom,” zegt de assistent. Dat klinkt een stuk logischer dan ‘ik ben je schoen’. Ik moet echt beter mijn best doen om hem te verstaan. Een grote uitdaging, want hij murmelt maar wat in de rondte, alsof hij te laks is om elke lettergreep uit te spreken. Aangekomen in de meetingroom voel ik achttien paar ogen op me gericht.  “Zo, ik zie dat je al erg gehecht bent aan de droppot,” klinkt het uit de zaal. Mijn nieuwe collega’s kijken me nieuwsgierig en verwachtingsvol aan. Op dat moment realiseer ik me dat ik de droppot nog steeds in mijn armen heb, die ik stevig omklem alsof het een pasgeboren baby is. “My precious, my preee-ciii-ous,” fluister ik met schorre stem. Een perfecte Gollem-imitatie, al zeg ik het zelf. Maar niemand lacht. Geen Lord of the Rings referenties dus, weet ik dat ook weer. De nieuwsgierige blikken van mijn nieuwe collega’s zijn veranderd in afwijzende en verbaasde. En ik sta wederom met mijn mond vol tanden.

Stella’s loopbaan is een feuilleton in opdracht van www.LoopbaanNederland.nl.

Stella’s loopbaan: bekentenissen van een carrière-welpje, deel III

Stella_website1-150x150[1]

Vorige keer: Stella heeft het idee dat het sollicitatiegesprek verre van positief verloopt, mede dankzij de irrelevante vragen van De Hork.

Guusje en ik hebben er al een kroegentochtje opzitten voor we naar De Kring gaan. Ik ben een beetje tipsy, want wat is het beste medicijn tegen een verpest sollicitatiegesprek? Juist: drinken en vergeten. Ik zwalk een beetje over de dansvloer, terwijl Guusje plaatsneemt in een van de Chesterfieldeske stoelen. De muziek is bagger en ik loop via de trap naar de andere zaal. Mijn oriëntatievermogen is door de grote hoeveelheid cocktails niet meer optimaal en ik mis een opstapje waardoor ik de trap af dreig te vallen. Gelukkig kan ik me nog net vastgrijpen aan de trapleuning, die verbazingweekend zacht aanvoelt. En helemaal geen trapleuning blijkt te zijn maar een been. Het bovenbeen van een aantrekkelijk manspersoon signaleer ik als ik naar boven klauter. Net wanneer ik een verblindende glimlach wil showen, zie ik naast de aantrekkelijke man ineens De Hork staan. Die cocktails hebben vast een hallucinerende werking. Hij lijkt net echt. De Hork overhandigt een biertje aan mijn aantrekkelijke manspersoon wier arm ik heb vastgeklampt alsof dit een reddingsboei is. “Zo Stella. Jij ook hier?” zegt De Hork. Hmm, die hallucinatie is wel erg levensecht. Misschien is hij helemaal geen waanvoorstelling. Na even nadenken geef ik daarom toch maar antwoord: “Ja, duh, ik ook hier, dat zie je toch.” Wat doet die ouwe zak in hemelsnaam in de Kring? Mijn Kring. Als hij weer over mijn middelbare schoolperiode begint, draai ik door. “Zo, en wie is deze knappe dame?” gaat De Hork verder terwijl hij zijn oog laat vallen op Guusje, die me achterna is gelopen. Hij laat nog net geen goedkeurend gegrom horen, maar zijn blik is volkomen duidelijk: het liefst had hij Guusje meegesleurd naar zijn hol. “Drankje dames?” vraagt De Hork.  Ai, wat zal ik doen? Ik heb helemaal geen zin om te praten met die kwal. Maar misschien heeft een borreltje wel een positief effect op mijn loopbaan. Hoewel, mijzelf kennende, kan ik het altijd nog verder verpesten… Ach, waarom ook niet. “Ja, graag,” antwoord ik.

Stella’s loopbaan is een feuilleton in opdracht van www.LoopbaanNederland.nl.

Stella’s loopbaan: bekentenissen van een carrière-welpje, deel II

Stella_website1-150x150[1]Vorige keer: Stella wil indruk maken tijdens een sollicitatiegesprek. Maar wanneer De Hork vraagt naar haar middelbare schoolperiode, zit zij met haar mond vol tanden.  

“Euh, uhm. Ja. Nou.” De Nederlandse taal die mij al 25 jaar eigen is, is mij compleet ontschoten. “Ehm, ik leerde goed, had veel vriendinnen en dacht na over mijn beroepskeuze.” Ik hoor het mezelf zeggen en realiseer me hoe nietszeggend dit klinkt. Wat is dat nou voor een antwoord? Beroepskeuze? Waarom zeg ik dat? De kraaloogjes van De Hork nemen me spiedend op. Dit is nog erger dan tegenover mijn oude geschiedenisleraar zitten. Geloof me, die lessen waren geen pretje. Hij schilferde en stonk enorm uit zijn mond. En ik zat op de eerste rij. “Wat deed je na school? Hoe vulde jij je vrije tijd in?” vervolgt de Hork.
Na schooltijd ging ik altijd samen met vriendinnen de stad in om het Kruidvat leeg te jatten. Want in die tijd waren er nog niet van die irritante alarmpoortjes.
“Ik speelde piano of ik hockeyde. Ik hockey al vanaf mijn vierde, op vrij hoog niveau,” lieg ik erop los.
De eerste en laatste keer dat ik de middenstip op een hockeyveld van dichtbij heb gezien, was tijdens mijn ontmaagding door Jan-Willem. Er gaat een rilling door me heen. Dit is niet het moment om daaraan terug te denken. Word ik al rood? Vast, ik voel mijn wangen branden. Ik recht mijn rug en probeer zo zelfverzekerd mogelijk te kijken.
“Wat heb je gedaan na de middelbare school?” gaat de Hork verder met zijn kruisverhoor.
“Ik wilde een half jaar gaan reizen en werken door Australië. Maar toen ik daar was, was het zeer moeilijk om een baantje te vinden. Er waren wel zat baantjes als appelplukker enzo, maar dat ging ik natuurlijk niet doen, had tenslotte net mijn gymnasiumdiploma. En in de bediening werken lukte niet, want ik lijd aan een zeer ernstige vorm van dienbladenangst. (Note to myself, stop met ratelen!!) Dus ik besloot mijn spaargeld er in vijf weken doorheen te jagen en van oost naar zuid en van noord naar west te vliegen. Toen ik alleen nog maar brood met pindakaas kon veroorloven, was het tijd om terug naar Nederland te gaan.”
De Hork kijkt me bedenkelijk aan. Ik weet het, ik heb het verpest. Ik wil weg. Weg van dit veels te hippe kantoor en van deze mensen. Waarom verschijnt er geen gat in de grond waarin ik kan verdwijnen?

Stella’s loopbaan is een feuilleton in opdracht van www.LoopbaanNederland.nl.

Stella’s loopbaan: bekentenissen van een carrière-welpje, deel I

Stella_website1-150x150[1]

Meet Stella. Een 25-jarige Master of Science die droomt van een succesvolle carrière. Maar ze wordt hierbij in hevige mate gehinderd door haar vele leugentjes om bestwil, ijdelheid en gebrek aan ambitie en realiteitsbesef. 

“Outsourcing, ja, even finetunen met betrekking tot jouw loopbaan.” De Hork die tegenover mij zit, blijft maar praten. De ene na de andere interessant klinkende zin die inhoudelijk niets om het lijf heeft, rolt zijn mond uit. Finetunen dit, finetunen dat. Ik heb geen idee waarover hij het heeft en kan me met geen mogelijkheid concentreren op zijn woordenbrij.  Focus, focus, maan ik mezelf tot orde. Tijdens dit sollicitatiegesprek moet ik immers een capabele indruk maken. Ik wíl deze functie als junior marketing manager. Ik knik dus instemmend en mompel “Outsourcing, ja, ja, zeker,” terwijl ik zijn uiterlijk bestudeer. De Hork is een kleine man, met een terugtrekkende haargrens en een blubberbuik die met geen mogelijkheid Bourgondisch genoemd kan worden. Hij heeft ook een gigantische hoeveelheid tong, die telkens zichtbaar is als hij praat. Ineens kijkt hij me vragend aan. Shit, ik heb iets gemist. “Sorry?”
“Hoe was jij op de middelbare school?” vraagt De Hork. De HR-dame die naast hem zit en nog geen woord heeft gezegd, kijkt me glimlachend en bemoedigend aan.
“Op de middelbare school…ik..uhm…,” maak ik het begin van een zin. Ik kijk bedenkelijk en hoop dat deze blik een niet al te stompzinnige gezichtsuitdrukking veroorzaakt. Deze blik ontketent in elk geval geen denkrimpel, die is een week eerder vakkundig weggewerkt door de befaamde dokter Verzwinden van de Heuvelman kliniek. Ja, ik heb me grondig voorbereid op deze sollicitatie en het resultaat mag er wezen: ik zie eruit om door een ringetje te halen. Daarnaast heb ik twee dagen assessments geoefend en allerlei vragen voorbereid: Wat kan ik betekenen voor dit bedrijf? Wat zijn mijn goede eigenschappen? En mijn slechte? Ik kan stante pede een lijstje met slechte eigenschapen opdreunen die zowel positief als negatief interpreteerbaar zijn. Maar nee, het gaat over mijn middelbare schoolperiode. Wat moet ik hierover vertellen? Over die keer dat ik voor de elfde keer was geschorst? Dat ik regelmatig tijdens de kleine pauze naar huis fietste om boze brieven van de schoolleiding te onderscheppen? Wat is de positieve draai hieraan? Dat indien een onwenselijke situatie zich voordoet, ik daar snel en adequaat op kan reageren? Wat moet ik in hemelsnaam zeggen?

Stella’s loopbaan is een feuilleton in opdracht van www.LoopbaanNederland.nl.

Zusterliefde

Mijn broer en ik schelen op de kop af twintig maanden, tien dagen en 141 minuten. Dit leeftijdsverschil is te klein om elkaar te kunnen negeren en te groot om beste vriendjes te kunnen zijn. Hierdoor hebben we jarenlang een klassieke broer-zus relatie vol haat en nijd gehad. Terwijl het zo goed begon.

In mijn eerste fotoalbum staan vrijwel alleen maar foto’s van een lijvige, rolmopsachtige baby (ik) en een schattige peuter (broer) die kusjes aan de rolmops geeft. Maar deze liefdevolle periode duurt niet lang. Waar het precies mis ging, is vastgelegd op camera: ergens in huize Van Schaik is een korrelig zwart-wit filmpje te vinden waarin de oorzaak van de verslechterde verstandhouding tussen mijn broer en mij zichtbaar is.  In het filmpje zien we een tweejarig ventje dat een gigantische baby die een drinkbeker in haar rechterknuistje klemt,  een kusje wil geven. Maar het mollige kleintje is al dat gesmak meer dan zat en geeft de peuter een pets met haar drinkbeker. Hij revancheert zich onmiddellijk door haar slagwapen af te pakken. De baby zet het op een huilen en maakt zo een eind aan het vredesverdrag tussen broer en zus.  De vijftien jaren daarop worden gekenmerkt door veel vijandigheid. Elke schermutseling verloopt volgens hetzelfde stramien: hij pest, zij klaagt en speelt klikspaan.  Dit leidt onder meer tot het sinaasappelen-incident, het kleine blaas-debacle, het knietjes-voorval en de dagelijkse huis-tuin-en-keuken-veldslagen waarbij mevrouw Van Schaik regelmatig als scheidsrechter moet optreden.

Een wederzijdse afkeer was niet het enige wat mijn broer en mij met elkaar verbond. Er was ook vergeving. Wanneer broerlief weer eens iets nadeligs had uitgehaald, zoals mijn schouder als boksbal gebruiken of het likken van mijn pannenkoek, borrelde er veel woede in mij op. Gaandeweg leerde ik dat die woede na een uur of wat smolt als sneeuw voor de zon wanneer mijn broer een grapje maakte of een gek dansje deed. Om mijn haat jegens mijn twintig maanden en tien dagen oudere nagel aan mijn doodskist niet te vergeten, kalkte ik regelmatig zo’n twintig A4-tjes vol met opruiende teksten als ‘Broer is stom’, ‘Ik haat Broer’, ‘Dit vergeef ik Broer nooit’. Deze pamfletten hing ik op in mijn slaapkamer. Ik was van plan hier nog jaren mee door te gaan maar mijn ouders riepen mijn artistieke uitlatingen een halt toe onder het mom van papierverspilling. Het redden van het Tropisch Regenwoud en andere bomen lag me nauw aan het hart, dus ik besloot mijn zusterlijke afschuw verbaal te manifesteren. Ik schreeuwde ‘IK HAAT BROER’ tegen een ieder die het maar horen wilde of die bij mij in de buurt kwam. Na een half uur tieren verveelde ik me stierlijk en had ik pijn aan mijn keel. Zo rond mijn vijftiende was ik, en iedereen in mijn omgeving, mijn geschreeuw meer dan zat. Rancune koesteren kostte mij veels te veel moeite, dus ik besloot om minder nijdig door het leven te gaan. Deze beslissing kwam mijn relatie met mijn broer ten goede, want nu ik niet meer het klagende huilebalkzusje uithing, was de lol van mij pesten er snel vanaf. Gevolg: sinds een jaar of vijftien is er vrede tussen de Van Schaik-nazaten. Hoe lang dit gaat duren, weet ik niet. Wellicht zitten we nu in een interbellum en is het wachten tot de dag dat broerlief weer in mijn drankje tuft.

La solitudine di Amanda I

De Italianen nemen een één-persoonskamer wel heel erg letterlijk: in mijn twee-sterrenstekje staan slechts een bed van nog geen zeventig centimeter breed en één stoel. In de badkamer kan ik letterlijk mijn kont niet keren. Maar dat, en het kleine spinnetje dat over de wasbak spurt, mogen de pret niet drukken. Ik ben in Italië! Het land van mode en eten. En van aangename temperaturen. Terwijl in Nederland de thermometer moeizaam de tien graden bereikt, is het hier een behaaglijke 23 graden met volop zon.

Snel verruil ik mijn herfstkloffie voor een bruine bermuda, een truitje met luipaardmotief en bruine pumps met een behoorlijke hak. Ik wil natuurlijk wel een beetje inblenden, want Italië is immers het land van vrouwelijkheid en uiterlijke schijn.

Ik loop in een volkomen willekeurige richting over charmante kronkelende  weggetjes. Op de bonnefooi erop uit, kijken waar ik eindig. Want ik hoef toch nergens naartoe. Cultuur, smultuur. Het gaat om avontuur! Binnen vijf minuten passeer ik een kleine gelateria waar ik een overheerlijk ijsje eet. Gelukzalig smikkelend wandel ik verder. Op het moment dat ik een doel aan mijn wandeltocht wil verbinden omdat de cultuurbarbaar in mij terrein verliest, sta ik voor een monumentaal pand van Gucci. In Florence hoef je niet op zoek naar cultuur, cultuur vindt jou!

Nog een voordeel van deze stad: ik heb hier ongelooflijk veel sjans. Helaas is dit niet van het effectieve soort: ze kijken wel, maar komen niet. Jammer. Maar: be careful what you wish for. Terwijl ik tuur in mijn toeristengids, zoekend naar een groot warenhuis, word ik aangesproken door een kleine, corpulente, kalende Italiaan. Of ik verdwaald ben. En waar ik vandaan kom. Voor ik kan antwoorden, doet hij een ongelooflijke invasie op mijn persoonlijke ruimte. Hij pakt me bij de arm en grist me mee voor een kop koffie. Want ik ben zo “bellissima”. Daar ben ik natuurlijk niet van gediend. Ik trek me los en loop linea recta de winkel van Louis Vuitton binnen. Helaas is deze kale dikkerd niet de enige minkukel die van mij is gecharmeerd. Het lijkt alsof ik de doelgroep ben van lelijke Italianen. Het dieptepunt: een vadsige man van drie turven hoog die mij zwoel in de ogen kijkt en gromt. Ja, gromt. Waar hangt de stereotype Italiaanse man, de charmante goedgebekte verleider, in hemelsnaam uit?

La solitudine di Amanda II

Ik krijg trek en ga op zoek naar de beste pizzeria van Florence, volgens mijn reisgids dé place to be voor goddelijk en authentiek Italiaans eten. Bij het restaurant aangekomen vraag ik een table for one. Niet begrijpend kijkt de ober me aan. Om mijn woorden te verduidelijken steek ik mijn wijsvinger op. De ober kijkt verschrikt, mompelt iets onverstaanbaars en snelt voor me uit. Voor een twee-persoonstafel houdt hij halt. Hij wacht tot ik zit en haalt demonstratief het bestek van mijn niet-bestaande tafelpartner weg. Ik zit op de meest belabberde plek van het restaurant. Mijn tafel staat in een donker hoekje naast het toilet. Een plek waar blijkbaar ook veel ruis is want ik bestel een witte wijn en krijg een rode. Op de rand van mijn glas zit een strontvlieg te brommen. Gezellig, dat Italië. Zit ik hier in het verdomhoekje met mijn strontvlieg.

Een groepje vriendinnen gaat aan de tafel tegenover mij zitten. Ze kijken me meewarig aan. Even voel ik me als Carrie in Parijs, in die ene aflevering waarin zij moederziel alleen langs een restaurant loopt en naar een groepje lachende vriendinnen staart. Haar Parijs is mijn Florence, maar dan gelukkig zonder die meppende Russische ballerina.

Ik krijg mijn pizza. Die is mwa. Bij lange na niet de lekkerste van Florence. Terwijl ik mijn diner naar binnen werk, heb ik zowaar een publiek. Mensen staan in de rij, wachtend op een plek, en kijken uit op mijn tafel. Vast toeristen die dezelfde reisgids vol culinaire missers hebben. Tot twee keer toe komt een chagrijnige serveerster vragen of ik klaar ben. Blijkbaar houd ik de boel op.

Op weg naar mijn hotel verdwaal ik. Stomme kronkelende Italiaanse weggetjes. Maar mijn dieptepunt heb ik nog niet bereikt, dat breekt aan als ik word achtervolgd door een enge man op een fiets. Zelfs een fatsoenlijke stalker, eentje op een hippe Vespa, is mij niet gegund. Ja, echt een goed idee, een stedentrip in mijn eentje. Een interessante, eenmalige ervaring.

Bananenman

Zoals veel vrouwen ben ik een kei in indirecte communicatie. Een onhandige en tijdrovende eigenschap. Zo heb ik me een half jaar geërgerd aan een collega die rechts naast mij zat. Elke dag nam hij een overrijpe banaan mee die hij klokslag vier uur oppeuzelde. Ik zat dus van half negen ’s ochtends tot vier uur ‘s middags in die bananenlucht. Geen pretje voor iemand met zo’n goedwerkend reukorgaan als ik. Ik had makkelijk een eind kunnen maken aan het banaanaroma door op directe wijze te communiceren. Door gewoon te zeggen: “Ik kan niet tegen die bananengeur, kun je je banaan inpakken ofzo?”  Maar nee, ik koos voor het indirecte pad.

Ik snufte en gaf hem een vuile blik om vervolgens de banaan op zijn bureau een nog vuilere blik te geven. Deze non-verbale hint begreep hij na drie maanden van hinten nog niet. Tijd voor een nieuwe indirecte methode. Ik deed het raam open op het moment dat hij de banaan uit zijn tas haalde en op zijn bureau plaatste. Bananenman, die nogal een koukleum was, verzocht mij vervolgens bibberend om het raam weer dicht te doen. De raammethode zette geen zoden aan de dijk. Na een half jaar afzien in een bouquet van bananenstank, restte mij niets anders dan de confrontatie. Dus op een ochtend zei ik: “Je banaan stinkt. Kun je ‘em niet meteen opeten of in een hermetisch afsluitbaar zakje verpakken?” De woorden spoten uit mijn mond, vol met nauwelijks verholen woede die zich in zes maanden had opgehoopt. Bananenman schrok van mijn mededeling, bood stamelend zijn excuses aan en beloofde verbetering. Meteen opeten was geen optie voor hem, dus vanaf de volgende ochtend deed hij de banaan in een plastic zakje. En twee weken later kwam hij stralend op kantoor: hij had bij Xenos een banaantrommeltje gevonden. Een geel plastic doosje in de vorm van een banaan waar precies – je raadt het al – één banaan in past. Het enige nadeel is dat het bakje evenals een echte banaan krom is, maar dat niet alle bananen dezelfde kromminggraad hebben. Regelmatig komt het voor dat hij een niet passende banaan met kracht in het doosje drukt, waardoor de banaan knakt en het vruchtvlees door de schil sijpelt. Volgens mij heeft Bananenman daar een hekel aan want elke keer als hij zijn banaantrommeltje opent en zijn gescheurde banaan ziet, fronst hij zijn wenkbrauwen en werpt hij mij een vuile blik toe. Telkens weer. Ik doe maar net alsof ik deze vorm van indirecte communicatie helemaal niet begrijp.

Hardlopen

Ik loop hard. Niet omdat ik het leuk vind maar omdat ik toch iets aan lichaamsbeweging moet doen voordat ik transformeer in een bierfust gevuld met gefrituurde kaasstengels. Het rennen zelf gaat moeizaam, maar ik vind het sociale aspect ervan wel leuk. Ik bouw toch een band op met de mensen die ik tegenkom als ik over de verharde zandpaden spurt. Zoals met de zwervers die op het bankje bij restaurant Vertigo zitten. Zwervers zijn het, en geen daklozen. Ik vind zwerven nog iets spannends hebben. Dakloos zijn heeft iets zieligs. En de Vondelpark-zwervers zijn verre van triest. In de zomer in Nederland kranten verkopen en Best Bier drinken en als de gure Nederlandse winter zijn intrede doet, de biezen pakken en al liftend met verkouden truckchauffeurs naar Spanje trekken. Dat is zwerven. Zwerven staat voor avontuur. Als ik voorbij het zwervers-bankje strompel, zo zwaar ademend dat er bijna sprake is van een directe opname in het astmacentrum, hebben de ze altijd iets te zeggen.  ‘Word je achtervolgd ofzo?’, bijvoorbeeld.  Of heel romantisch: ‘Schatje, volgende keer neem ik een fiets voor je mee, ik kan dit niet meer aanzien’.

Volgens mij zijn zwervers de voorlopers van hangjongeren. Beide partijen zitten op bankjes of staan in beschutte portiekjes te roken, drinken en sterke verhalen te vertellen. Alleen is de hangjongere nu ook geëvolueerd want de portiek is niet  meer  genoeg, ook speeltuintjes worden vereerd met hun aanwezigheid. Maar op andere punten zijn zij juist achtergebleven. In plaats van een paar ad remme oneliners komen de meeste hangjongeren niet verder dan ‘psst, psst, schatje’. Ik vraag me altijd af wat zij hiermee trachten te bereiken. Willen ze dat je stopt om een praatje met ze te maken? Of denken ze dat na het  horen van ‘psst psst’ een vrouw in een zodanige extase wordt gebracht dat zij zo’n jongere bij de haren grijpt en hem meesleept naar de nabijgelegen portiek en zich dan vier keer laat nemen? Ik begrijp het echt niet. Gelukkig heb ik tijdens het hardlopen voldoende tijd om erover na te denken.

Eerstejaars moet gaan slapen

Wanneer ik mezelf weer eens moeizaam voortsleep door het Vondelpark, zie ik een groepje meisjes dat er nog belabberder uitziet dan ik. Allen riekend naar bier en gekleed in dezelfde outfit: een paars hansopje, zilveren donsjack en goud gespoten Timberlands. O ja! Het is weer zover. De groentijd is begonnen.  Het Vondelpark wordt de eerste week van september steevast bevolkt door rennende jongens en meisjes, allen lemmings die worden aangespoord door een zuur kijkende ouderejaars. Als ik de zwoegende meisjes bekijk, krijg ik een binnenpretje. Een gevoel dat ik altijd heb wanneer ik iets weet wat een ander niet weet. Ik weet namelijk precies wat er in de nabije toekomst van de meisjes gaat gebeuren.

 

Zo’n eerstejaars student gaat geheid met een aantrekkelijke blater gekleed in jas, das en dockers mee naar huis. Na een zwalkende fietstocht met een penibel moment waarbij zijn wiel vast komt te zitten in een tramrail en een korte pitsop bij Mama Shoarma, komt ze dan bij hem thuis. Zijn kamer bestaat uit een bed en een bureau dat ook dienst doet als bar. Na een beetje zoenen en een halfslachtige poging om de kleren uit te trekken, valt het prille stel als een blok in slaap. Zij wordt ruw uit haar droomloze slaap gewekt. Niet van het daglicht want zijn kamer is totaal verduisterd met niet alleen bamboe rolgordijnen maar ook met van die zware groene fluwelen. Want God verhoede dat hij voor twaalven uit zijn kater wordt gewekt door iets natuurlijks als daglicht. Nee, ze wordt wakker van een irritant geluid en een zachte druk op haar linkerboezem. Wanneer ze haar ogen moeizaam opent ziet ze hem op zijn buik liggen met in zijn linkerhand haar borst en in zijn rechter een half opgegeten broodje shoarma. Terwijl hij snurkt sijpelen er smalle straaltjes kwijl uit zijn mond. Om te verhinderen dat hij per abuis in een hongerig reflex op haar borst begint te bijten in plaats van in het broodje lam,  besluit ze dat het tijd is om naar huis te gaan. Voorzichtig om hem niet te storen, zo’n moeizaam gesprek is het laatste waar ze zin in heeft, tast ze naar haar bh die ergens onder de dekens ligt. Terwijl haar hand op ontdekkingstocht onder het dekbed is, voelt ze iets vreemds. Een harde aangekoekte plek op het laken. Ze hoopt dat dit sperma is en niet het geronnen maagdenbloed van één van haar voorgangers, zo’n naïef eerstejaarsje uit Appingedam dat hem geloofde toen hij zei ‘gewoon even knuffelen, lekker tegen elkaar aanliggen’ en vervolgens in stukken gehakt in de vuilniszak eindigde. Haar moeder waarschuwde haar nog zo: ga nooit met vreemde mannen mee naar huis. Maar er is geen tijd om hier lang bij stil te staan, want ze moet naar huis. Terwijl ze op blote voeten weg schuifelt blijft er iets tussen haar tenen hangen wat bij nadere beschouwing in het dodelijke tl-licht van de badkamer een condoomwikkel blijkt. En als ze dan boven de wc-bril hangt komt een of andere Jan-Willem doodgemoederd zijn tanden poetsen. Het was toch verstandiger geweest als ze een t-shirtje had aangetrokken. En als ze dan samen met haar kater de grachten afzoekt naar haar fiets denkt ze bij zichzelf: ben ik voor deze ervaring een maand lang afgezeken en fysiek afgebroken? Haar lippen trekken samen en ze kan niet wachten tot zij zelf eerstejaarsjes door het slijk mag halen.